De Legende van de Trap

Gepubliceerd op zaterdag 10 oktober door De Troffel

door Huib Lazet 

Traditie 

Traditie betekent naast ‘vaste gewoonte’ ook 'overdragen', 'doorgeven, ‘overleveren'. 

Het doorgeven zelf is dan de traditie. Het bewaren van een traditie is dus het blijven doorgeven.

Wat we hebben ontvangen geven we behoedzaam door.

Maçonnieke traditie is het overleveren van vormen: beelden, handelingen, voorwerpen, woorden.

Vrijmetselarij is de behoedzame rituele overlevering van persoon aan persoon.

Door van mens tot mens over te dragen, letterlijk, woordelijk, gebaarlijk, handelend, vloeit iets innerlijks van hart tot hart mee. De inhoud, verschillend van mens tot mens, reist mee in de vorm.

Traditie maakt de vorm tot drager van de inhoud. De inhoud verandert, de vorm blijft.

De Trap

Adon werkt als jonge gezel in een steengroeve, op vijf uur loopafstand van de berg Moriah. Hij en z’n mede-gezellen weten dat de stenen die zij dagelijks uithouwen worden gebruikt bij de bouw van een prachtige tempel, daar in de verte. Adon zou dat bouwwerk graag eens willen zien, maar voorlopig is zijn werk hier, in het stof. Iedere werkdag, tegen het middaguur, gaan hij en z'n metgezellen te voet de groeve uit, naar de loods, voor de maaltijd en middagrust. Ook nu. Adon loopt weer te fantaseren over die wonderschone tempel. Hoe groot zou hij zijn? Welke vormen en kleuren heeft hij? Wat zou erin te vinden zijn? In gedachten verzonken raakt hij achterop en dwaalt hij van het pad af, ongemerkt een smal zijpaadje in. Pas onder het gebladerte merkt hij zijn vergissing. Heeft hij hier eerder gelopen? Tussen de bomen door leidt het paadje een steile heuvel op. O ja, hij en z’n mede-gezellen kennen die heuvel. Ze zien hem iedere dag vanuit de steengroeve. Niemand weet hoe hoog hij is, want de top is altijd gehuld in een wolk. Adon heeft zich vaak hardop dagdromend afgevraagd wat er op de top te vinden zou zijn. “Je werk is hier beneden, broeder, in de groeve, niet daarboven”, kreeg hij dan wrevelig te horen.

Adon blijft op het paadje doorlopen. Nieuwsgierig. Hoe hoger hij komt, des te steiler en smaller wordt het pad. Zijn hart klopt al sneller bij het idee dat hij misschien de top zou kunnen bereiken. Zou hij vandaag kunnen zien wat daar in nevelen is gehuld? Misschien steekt het hoogste punt boven de nevel uit! Zou hij vanaf die hoogte het bouwwerk aan die prachtige tempel in de verte kunnen zien?

Onverwacht eindigt het pad in dicht struikgewas. Adon blijft staan; hij heeft geen zin om terug te gaan. Nieuwsgierig buigt hij de takken uiteen, wringt zich ertussen en ziet dan tot zijn verbazing stukken van een brede trap, uitgehouwen in de rots. Tussen de struiken zijn de prachtige oude treden zichtbaar, met perfect haakse voor- en bovenzijden, zuiver vlak en fijn bewerkt met een patroon van groefjes of putjes. Hij houdt de adem in, buigt het struikgewas verder open en stapt voorzichtig de eerste trede op. Voor elke volgende stap moet hij overhangende takken afbreken en glibberig mos wegkrabben. Hij voelt zich licht van opwinding terwijl hij stap voor stap verder omhoog gaat. In het gefilterde middaglicht ziet hij dat de vorm en afwerking van de treden steeds verandert. Er moeten verschillende steenhouwers achtereen aan de trap hebben gewerkt. Soms is er maar één trede van een en dezelfde maker, dan weer vijf, twee, vier of drie. Nergens ziet hij meer dan zes opeenvolgende treden van één ambachtsman. Wonderlijk!

Hier en daar zijn de treden helemaal bemost en overwoekerd door onkruid. Hij haalt dit zorgvuldig weg, zodat de trap zichtbaar en begaanbaar wordt. In soepele bochten volgen de treden de helling naar boven. Ook Adon wil verder, naar de nevelige top. Hij zal die bereiken, koste wat het kost. Inmiddels is hij al een tijd onderweg, maar hij heeft geen flauw idee hoe ver hij is gestegen.

Hij duwt weer een struik opzij en staat plotsklaps voor het einde van de trap: als hij de laatste trede op wil stappen ziet hij daar tot zijn stomme verbazing een steenhouwer, geknield aan het werk. De man heft zijn gezicht en kijkt Adon rustig aan. Hij knikt, legt zijn hamer en beitel op de trede, naast een winkelhaak en wat ander gereedschap, staat kalm op en zegt: “Zo, daar ben je dan, mijn broeder.” Hij bekijkt Adon, tevreden glimlachend. De jongen is eerst sprakeloos en weet vervolgens niets anders te stamelen dan: “Wie bent u? Waarom? En alleen?” De steenhouwer strijkt wat haar uit z’n ogen en antwoordt: “Ik ben net als jij, mijn broeder. Wij zijn nieuwsgierig. Drang naar een helder uitzicht en naar dieper inzicht heeft ons hierheen geleid.” Hij pakt een kruikje water van de grond en geeft dit aan Adon. De klim heeft de jongen dorstig gemaakt en hij drinkt. De oudere gaat verder: “Mijn waarde broeder, velen zijn het smalle pad op gegaan, maar toen ze niets meer vonden dan een overwoekerde oude trap, keerden ze terug. Sommigen gingen de eerste paar treden wel op, maar deden geen moeite om de overwoekering weg te halen en de trap verder te beklimmen. Ook zij daalden al snel weer af naar het brede pad daar beneden. Maar, er waren ook doorzetters, zij die leven in verwondering en willen weten wat er boven, voorbij de nevelen te vinden is. Ze haalden de overwoekeringen weg, maakten de trap zichtbaar en begaanbaar en gingen naar boven. Zij wilden moeite doen en kwamen verder. Net als jij."

De steenhouwer zet het waterkruikje terug op de laatste trede “Kijk eens hier,” zegt hij, “ik heb gisteren mijn zesde trede afgemaakt en wilde nu juist aan mijn zevende beginnen. Stel je voor: de eerste zevende trede op deze heuvel!” Hij knikt verheugd en wijst op de laatste zes treden, onmiskenbaar van de hand van een meester-gezel. Dan neemt hij Adon bij de arm, “Heb je bij het naar boven gaan de trap wel goed bekeken?” Zachtjes voert hij de jongen terug, langs de schoongemaakte en begaanbare treden die stuk voor stuk getuigen van toewijding en vakbekwaamheid. Hij wijst hem gaandeweg op details: de maatvoering, de haaksheid, de perfecte afwerking, de wisselende breedtes, de ligging langs de heuvel, de reeksen van een tot zes treden, maar ook het onkruid dat de weg steeds overwoekert. Hij vertelt over de weerbarstige hardheid van de rots en het onversaagd moeten hakken, beitelen en fijnbewerken. Dan keert hij om, laat Adon langs de trap omhoog kijken en wijst hij hem op de natuurlijke lijn die de treden omhoog volgen. Adon ziet ook dat de trap wordt geflankeerd door acacia's; ze lijken steeds te zijn geplant naast de verschillende groepen treden, de oudste bomen onderaan de trap, de kleinste en jongste bovenaan. Dan gaan beide mannen terug en boven aangekomen eten ze samen een simpel maal. De oudere vertelt hoe hij eenvoudig maar goed kan leven van wat de heuvel voortbrengt. Ze praten over hun mooie ambacht en over die tempel in wording, ver van hier. Ja, hoe zou die eruit zien? Nee, we zijn nog te ver onder de top om in de verte te kunnen kijken. Misschien beneemt de nevel ons het gezicht? Ja, maar misschien ook niet, als de warmte van het zonlicht de damp oplost. Wie zal het zeggen? Pas in de avondschemer denkt Adon even aan zijn mede-gezellen. Ze zullen niet weten waar hij is en hem missen. Zijn ze op zoek gegaan? Adon besluit niet in het donker terug te keren. Het zachte mos biedt een prima rustplaats tot de ochtend.

In het ochtendlicht ziet Adon hoe de steenhouwer zijn hamer, de beitel, een rei, een koevoet en de winkelhaak uit de stevige buidel haalt, waarin ze voor de nacht waren geborgen. Hij ziet ook een passer, onderin de zak. “Waar dient die voor? U levert toch alleen haaks werk?” “Tja, hij zat gewoon in deze buidel die ik ooit van een andere gezel heb overgenomen. Ik heb hem hier inderdaad nog niet nodig gehad. Misschien komt dat nog.” Adon beseft dat hij nu niet verder naar boven kan. Hij weet ook dat hij dankzij de wonderlijke trap en haar makers een heel eind is gekomen. De heuveltop heeft haar geheim alleen nog niet prijsgegeven. Misschien later, als hij volleerd gezel is en vrij man is geworden? Nu zal hij terug moeten, naar z'n werk in de groeve. De oude man staat op zijn zesde trede. “Ga nu maar, broeder, u bent van node in de steengroeve. Het ga u goed.” Hij knikt en knielt neer zonder nog om te zien naar Adon. Dan neemt hij zijn hamer en beitel om te beginnen aan een belangrijk en uniek stuk werk: de eerste zevende trede. Met hoorbare verwondering zegt hij zacht: “Zal ik dan de eerste zijn die eindelijk een zevende trede maakt?”.

Adon weet dat hij nu moet afdalen. Hij knikt naar de rug van de oude en met een handgebaar keert hij zich om. Dan hoort een kreet van pijn en ziet hij nog juist hoe zijn oude broeder de hamer en beitel uit de handen glijden terwijl hij krampachtig z’n hart omklemt en dan achterover slaat, met zijn hoofd op een lagere trede. Adon springt naar boven, wil de man opvangen, maar is te laat. Het hoofd is met een harde klap op de steen terechtgekomen. Er is geen ademtocht meer en geen hartenklop voelbaar. Het is doodstil. De heuvel lijkt de adem in te houden. Adon is ontsteld. Maar dan doet hij als vanzelf wat hem te doen staat. Hij begraaft de oude naast diens zes treden en markeert het graf met een tak die hij van de jongste acacia afbreekt. Hij is stil, bedroefd, maar tegelijk helder en vastberaden. Hij neemt de gevallen hamer en beitel op, knielt op de linkerknie en zegt: "Mijn Broeder, ik zal jouw zevende trede maken". Dan zet hij de beitel op het gesteente en begint aan zijn eerste trede ...

© Huib Lazet, 2020.